Alleen daar maatregelen treffen waar het gewas last heeft ziekten, plagen en onkruiden en alleen op het moment dat het echt nodig is. Onderzoekers van Plant Research International ontwerpen technieken en teeltsystemen om dat mogelijk te maken.
Hoe preciezer de boer is met de bestrijding van ziekten, plagen en onkruiden, hoe beter het is: voor het milieu en voor zijn portemonnee. Dat betekent dat hij niet meer middel spuit of onkruid weg schoffelt dan nodig is, maar ook niet minder.
Om dit te bereiken moet hij rekening houden met variaties in ruimte en in tijd. Op stukken van het perceel waar veel onkruiden staan of waar het gewas veel last heeft van een ziekte of plaag moet een boer meer doen, dan op plekken waar het gewas er nauwelijks last van heeft. Bovendien hoeft hij alleen wat te doen, spuiten, schoffelen of nog wat anders, als het gewas daadwerkelijk schade gaat lijden onder een plaag.
Hulpmiddelen voor de boer
Dat kan een boer niet alleen af. Hij heeft bijvoorbeeld speciale sensoren nodig die kunnen detecteren of het gewas voldoende voedingsstoffen heeft binnengekregen, of die tot op de centimeter nauwkeurig kunnen bepalen waar het onkruid staat. Vervolgens moet die informatie vertaald worden naar een advies over wanneer en hoeveel te spuiten. Dit kan met zogenoemde beslissingsondersteunende systemen. Met behulp van gps en andere technische hulpmiddelen kan de boer vervolgens op het veld precies op die plekken (vierkante centimeters of meters) waar dat nodig is, zijn bestrijding uitvoeren: spuiten met een bestrijdingsmiddel of mechanisch.
Een voorbeeld van een techniek waarmee veel middel te besparen is, is een sensor voorop de spuitmachine die bepaalt hoeveel bovengrondse biomassa aardappelplanten hebben. Hoe meer biomassa, hoe meer middel nodig is om ze dood te spuiten. De boer moet zijn aardappelloof doodspuiten als het gewas te veel last krijgt van de aardappelziekte Phytophthora of als hij wil oogsten. Normaliter spuit hij dan in een keer zijn gewas dood. Met de sensor voorop, die is ontwikkeld door de onderzoekers van PRI, is 30 procent minder middel nodig.
Dit voorbeeld laat zien dat de onderzoekers kennis over de biologie van de gewassen en hun belagers combineren met kennis over de technieken. Beide onderdelen zijn onontbeerlijk voor een uitgebalanceerd teeltsysteem waar boeren in de praktijk mee uit te voeten kunnen.
Naar: