Uitstoot van afvalverwerker eenvoudig te meten met biomonitoring

Het is goed te achterhalen of schadelijke stoffen uit afvalverwerkingsinstallaties terecht komen in agrarische producten in de nabije omgeving. Een eenvoudig meetprogramma, met planten in de hoofdrol, voldoet. Onderzoekers van Plant Research International passen deze biomonitoring toe bij drie afvalverwerkers.

Installaties die restafval verbranden roepen nogal eens bezorgde reacties op van omwonenden en boeren uit de omgeving. Ze vrezen dat schadelijke stoffen die de centrale uitstoot, ongemerkt in agrarische producten terecht komen. Gevolg kan zijn dat die producten niet meer te eten zijn.

De ongerustheid komt voort uit het feit dat niet zichtbaar is of schadelijke stoffen in de plantaardige of dierlijke producten terecht komen. Dat is te ondervangen door planten en dierlijke producten geregeld te analyseren op de aanwezigheid van die schadelijke stoffen. Dit heet biomonitoring, een methode waar wereldwijd al veel ervaring mee is opgedaan.

Planten als verklikkers
Bij biomonitoring telen onderzoekers in de buurt van de centrales planten als spinazie, boerenkool en gras in containers als ‘verklikkers’. Daarnaast nemen de onderzoekers melkmonsters bij melkveehouderijen in de buurt van de centrales. Dan is er nog een derde verklikker: de kalkpapiermethode. Kalkpapier filtert fluoriden uit de lucht. Deze passieve opname van fluoriden in kalk¬papier is vergelijkbaar met de wijze waarop planten fluoriden opnemen.

Vervolgens bekijken ze elke vier weken of de planten afwijkingen vertonen en bepalen ze of er schadelijke stoffen in de verschillende verklikkers zitten. Als er afwijkingen zijn, wordt dat al in een vroeg stadium duidelijk. 

Een eenduidig signaal
De meting heeft vooral een signaalfunctie. Zolang de normen in de gewassen en producten niet worden overschreden, is te verwachten dat de agrarische producten veilig zijn. Pas bij overschrijding van de normen, is nader onderzoek gewenst.

De continue meting geeft omliggende boeren de zekerheid dat zij niet onverwacht te maken krijgen met overschrijdingen van normen. Ervaringen met dergelijke biomonitoring bij de afvalcentrales in Alkmaar en Wijster laten dan ook zien dat de boeren en omwonenden een betere verstandhouding krijgen met de exploitant van de centrale. Ook het vertrouwen neemt toe.

Analyse op schadelijke stoffen
Bij de analyse op schadelijke stoffen richten de onderzoekers zich op:
  • Cadmium, kwik en polycyclische aromatische koolwaterstoffen (PAK’s) in spinazie en boerenkool
  • Dioxinen en/of pcb in koemelkmonsters
  • Fluoriden in kalkpapier en gras

De zware metalen, cadmium en kwik, PAK’s en dioxine/pcb’s zijn vooral van belang voor de kwaliteit van de gewassen voor menselijke consumptie. Fluoriden zijn belangrijk voor de veevoerkwaliteit, omdat vee gevoelig is voor deze stof.

Onderzoekers van Plant Research International voeren zo’n biomonitoringprogramma  al langer uit bij de afvalverwerkers in Alkmaar en in Wijster. Sinds kort is daar de Reststoffen EnergieCentrale (REC) in Harlingen bijgekomen. Deze is in 2011 in bedrijf gegaan en verwerkt gemiddeld 228.000 ton afval- en rest¬stof¬fen per jaar. Opdrachtgever van de biomonitoring is LTO Noord, in overleg met de installatie-eigenaar Omrin.

Uitkomsten vergelijken met standaard
Bij elke centrale is bekend wat de uitgangssituatie is. Zo hebben de onderzoekers een jaar lang de verklikkerplanten en –melk geanalyseerd voordat de centrale in Harlingen in gebruik is genomen (nul-situatie). Deze metingen geven een beeld van de achtergrondbelasting rond Harlingen zonder bijdrage van de REC. Deze nulsituatie vergelijken de onderzoekers met de metingen die ze doen sinds de centrale in bedrijf is genomen. Zo kunnen ze op elk moment precies zien of de concentratie aan schadelijke stoffen in de planten en de melk toeneemt of niet. 

Naar:





  
Print deze pagina

Contact
Chris van Dijk
Agrosysteemkunde
visitekaartje
»  meer Contact